Ouder, wijzer, sneller

Diederik van Hoogstraten - 01 juli 2011

De twee jonge kerels waren nieuw op onze intervaltraining. Een gespierde oud-honkballer en een compacte jongen met een perfecte loopvorm, allebei midden twintig. Ze vlogen weg, de eerste keer dat we de steile heuvel af en weer op renden. Ik dacht: laat maar gaan, we zullen zien.

`$title`

Het speedwork van mijn club, de New York Flyers, is elke dinsdagavond ergens anders in Central Park. Het is de zwaarste, leukste en effectiefste training van de week. Altijd zijn het repeats: intense sprints of loopjes van maximaal twee kilometer, met korte pauzes om op adem te komen en te herstellen. Ruim drie kwartier duurt deze uitputtingsslag.

Dankzij het speedwork met de Flyers heb ik ontdekt dat ik hard kan gaan. Sneller dan ik ooit had kunnen vermoeden als ex-roker. De coaches en clubgenoten pushen je voorbij de denkbeeldige grenzen die ons onnodig in bedwang houden.

Het speedwork is voor lopers van alle niveaus, snelheden en leeftijden. Ik loop op met een groepje runners - inmiddels vrienden - die een 5K in 18 minuten kunnen lopen. We zijn boven de dertig. Sommigen van ons (ik noem geen namen) zijn sinds kort 42.

Nieuwelingen bij speedwork, zeker zij met loopervaring en gezond zelfvertrouwen, gaan vaak vanzelf mee met ons sub-clubje. Zo ook de jonge gasten op de heuvel. Maar na de tweede repeat naderde ik ze alweer. Tijdens de derde passeerde ik de honkballer, tijdens de vierde de kleine loper, en verder zag ik ze niet meer. Gebroken. Te hard van stapel gelopen, letterlijk.

Het punt is niet dat ik, een kale veertiger, de enthousiaste heren in het stof liet bijten, hoewel zoiets leuk is. Waar het me om gaat, is dat ervaring en zelfkennis zeker zo belangrijk zijn als brute kracht en natuurtalent, voor wie iets wil in het hardlopen.

Op de marathon is dat wel bekend. Ik heb er nu acht in de benen, maar nog steeds begrijp ik de afstand niet helemaal. Het doorgronden van de 42K is zoiets als het waarlijk kennen van een vrouw. Ik vermoed dat het onmogelijk is. Dat is natuurlijk geen reden om niet alles te proberen, maar in het besef dat het waarschijnlijk zal blijven bij 'alles proberen'.

Wat ik steeds duidelijker inzie, is dat ook succes op het korte, snelle werk samenhangt met hersenactiviteit evenzeer als spierkracht. Pas dit voorjaar liep ik een echt solide halve marathon. Na enkele tientallen halven wist ik eindelijk hoe hard te gaan op de heuvels van Central Park, hoe door te schakelen naar de vlakke tweede helft, hoe om te gaan met het ongemak in benen en longen, hoe de houding niet te laten verslappen, hoeveel er nog uit te halen viel in de laatste kilometers toen twee jonge Denen me dreigden te passeren. En pats, een PR van 1:23.

Vorige week vrijdag was ik jarig. Op zaterdag en zondag werden twee 5 mijlers gehouden in Central Park. Eerst de jaarlijkse Pride Run, toevallig daags nadat New York State het homohuwelijk goedkeurde, wat de race een feestelijke en emotionele lading gaf. Zondag de Achilles Hope & Possibility Run voor gehandicapte lopers, georganiseerd door mijn vriend en coach Toby Tanser.

Ik wilde geen van beide missen. Altijd goed om een nieuw levensjaar in te snellen. Gek genoeg was de 5 mijl - 8km, een gebruikelijke afstand in de VS - zoiets als de marathon voor mij. Anders dan de 4 mijl, 10km en 15km had ik nooit echt een lekkere 5m gelopen.

Zaterdag wist ik er een PR van 30:50 uit te slepen. Ik was blij. Zondagochtend duurde het even om de benen los te krijgen, maar toen ging het weer wat sneller: 30:40. Ik werd nog blijer, zeker omdat ik beide races als eerste Flyer finishte. Ik voelde dat het nog wel wat harder kan, als ik de wedstrijd beter opbouw. Onder de 30, ooit? Ik zeg geen nee.

Wat was het verschil met eerdere pogingen? De rust die ik nam na mijn twee voorjaarsmarathons. Ik liep wel, maar alleen op een kalm tempo. Belangrijker: ik ben nog steeds aan het leren wat ik kan. Mijn grenzen zijn zacht in plaats van hard, kneedbaar in plaats van rigide. Ik denk dat dit voor iederen geldt.

In mijn boek citeer ik de Amerikaanse schrijver Willem James. 'Voorbij de extreme grens van uitputting en nood', observeerde hij, 'kunnen we hoevelheden kracht vinden waarvan we niet hadden kunnen dromen; bronnen die nooit worden aangeboord omdat we nooit door de versperring heen zijn gedrongen.'

Het is 't soort wijsheid dat de jonge honden nog niet hebben. Gelukkig. Zo blijf ik ze voor.

Diederik vanHoogstraten(1969)woont in New York.
Als hij niet door Central Park of langs de Hudson loopt, schrijft hij voor de Volkskrant en Elsevier.

Diederik van Hoogstraten©ProRun
Schrijver van het boek ' De rennende Hollander\' Uitgeverij LJVEEN
 http://therunningdutchman.wordpress.com/


PrintSend-To-Friend